Overgave is een wekelijkse fictieve verhalenreeks. Personages en gebeurtenissen zijn verzonnen.
Hoofdstuk 2: Geen vast plan
Het bericht kwam op woensdag, twee dagen na het feestje, op een moment waarop Iris het niet meer verwachtte en zich daar meteen een beetje voor schaamde. Ze had haar telefoon al drie keer gecheckt die ochtend, niet bewust, gewoon de reflex van een duim die naar een scherm gleed zonder dat haar hoofd er toestemming voor had gegeven. En toen, tussen een nieuwsbericht over de metro en een herinnering dat haar abonnement bijna verliep, stond zijn naam er ineens.
Luca: Ik heb er twee dagen over gedaan om te bedenken hoe ik dit bericht niet als een standaardzin laat klinken. Het is niet gelukt. Hoi.
Ze lachte hardop, alleen aan haar bureau, en een collega twee stoelen verderop keek even op zonder iets te zeggen. Ze typte drie verschillende antwoorden, wiste ze allemaal, en stuurde uiteindelijk het simpelste.
Iris: Hoi. Je hebt het prima gedaan. Standaardzinnen zijn onderschat.
Luca: Dat is precies het soort aanmoediging waar ik niet op durfde te hopen.
Het gesprek dat volgde had niets van het soort geforceerde luchtigheid die ze kende van andere eerste berichten na een feestje, van de dagen waarin ze en Mark nog nieuw waren geweest voor elkaar, jaren geleden, toen elk bericht aanvoelde als een klein examen. Met Luca ging het over niets bijzonders, een grap over de metro-app die altijd tien minuten te optimistisch was, een vraag of ze weleens naar het IJ fietste als het werk tegenzat, en toch voelde elk bericht als iets dat ze wilde bewaren.
Een voorstel zonder script
Op donderdagavond, terwijl ze op de bank zat met een kop thee die allang koud was geworden en een serie die ze niet meer volgde, kwam het bericht waar ze eigenlijk al de hele dag op had gewacht zonder het toe te geven.
Luca: Ik wil je meenemen naar iets, zaterdag, maar ik waarschuw je vast: het is geen restaurant met een menukaart en het is geen bioscoop. Ik ben niet goed in standaard dates.
Iris: Dat klinkt alsof je me voorbereidt op een ontsnapping uit een kelder.
Luca: Minder dramatisch. Ik werk aan een pand in de Jordaan, een oud pakhuis dat we ombouwen. Zaterdag is er niemand, het is bijna klaar, en er is een dakterras waar je de hele stad ziet als de zon ondergaat. Ik wil je meenemen, iets meenemen om te eten, en zien wat er gebeurt. Geen vast plan verder dan dat.
Ze las het bericht drie keer. Er was iets aan het idee dat haar meer aansprak dan een tafel voor twee in een restaurant ooit had gekund, iets dat paste bij wat ze op het balkon van Sanne al had gevoeld: dat hij niet deed alsof hij een script volgde, dat hij haar iets liet zien van hoe hij zelf naar de wereld keek in plaats van een geoefende routine uit te voeren.
Iris: Als er een reden is dat je me alleen meeneemt naar een verlaten gebouw, wil ik dat je weet dat drie mensen exact weten waar ik ben.
Luca: Eerlijk genoeg. Stuur me gerust hun nummers, dan app ik ze een foto zodra we er zijn.
Iris: Dat ga ik onthouden.
Luca: Doe dat. Zaterdag, half zeven? Ik kom je ophalen, of we spreken af, wat jij prettiger vindt.
Ze koos ervoor zelf te komen. Niet omdat ze hem niet vertrouwde, maar omdat een klein, voorzichtig deel van haar nog steeds de gewoonte had om een uitweg achter de hand te houden, een auto die van haarzelf was, een manier om weg te kunnen zonder op iemand anders te hoeven wachten. Ze had dat nooit hoeven uitleggen aan Mark omdat het bij Mark nooit nodig was geweest. Bij Luca wist ze niet zeker of het nodig zou zijn, en dat onzekere gevoel voelde vreemd genoeg spannend in plaats van ongemakkelijk.
Het pakhuis
Het gebouw stond aan een gracht die ze duizend keer was gepasseerd zonder het echt op te merken, een gevel van donkere bakstenen met hoge, smalle ramen en een laaddeur die ooit voor karren was gebruikt. Toen ze haar fiets op slot zette, zag ze hem al staan wachten bij de ingang, handen in zijn zakken, een houding die net zo ontspannen was als op het feestje, alsof wachten voor hem geen ongeduld opriep.
"Je bent er," zei hij, en er klonk iets in zijn stem dat verried dat hij niet helemaal zeker was geweest dat ze zou komen, ondanks alle berichten.
"Ik zei toch dat ik zou komen."
"Mensen zeggen wel meer." Hij glimlachte om het te verzachten. "Ik ben blij dat jij het meende."
Binnen rook het naar zaagsel en verse verf, een geur die ze niet had verwacht lekker te vinden maar die op de een of andere manier bij hem paste. Het pakhuis was half gestript, oude balken zichtbaar boven hun hoofden, een betonnen vloer die was gepolijst tot een dofglanzend grijs, en overal sporen van werk dat bijna af was: stapels tegels netjes ingepakt, een keukenblok dat nog in folie zat te wachten op installatie.
"Het wordt appartementen," legde hij uit terwijl hij haar voorging langs een trap die nog geen leuning had, zijn hand losjes achter haar rug zonder haar echt aan te raken, meer een gebaar van aandacht dan van bezit. "Vier units. Dit hier wordt de bovenste, met het dakterras. Ik heb erop gestaan dat we de originele balken zichtbaar lieten, ook al kostte dat een discussie met de opdrachtgever die liever alles strak en nieuw wilde."
"Je hebt gewonnen, neem ik aan."
"Uiteindelijk wel. Ik liet hem een avond hier staan, in het donker, met alleen een zaklamp op de balken gericht. Soms moet je mensen laten voelen wat je bedoelt in plaats van het uit te leggen."
Ze keek naar hem terwijl hij dat zei, naar de manier waarop zijn hand langs een balk gleed alsof hij die kende, en dacht aan wat Sanne haar ooit had verteld over mensen die van hun werk hielden op een manier die zichtbaar was in hun lichaam, niet alleen in hun woorden. Mark had een baan gehad die hij goed deed en nooit haatte, maar ze had hem nooit op deze manier over iets horen praten, met deze specifieke soort van vuur dat niet om aandacht vroeg maar gewoon aanwezig was.
Het dakterras
Boven, via een laatste trap die eindigde bij een stalen deur, opende zich het dakterras: nog kaal, geen meubels, geen plantenbakken, alleen beton en een balustrade en een uitzicht dat haar even haar adem deed inhouden. De stad lag uitgespreid onder de kleurende hemel, torenspitsen en kranen en de glinstering van de grachten, de zon die net begon te zakken achter de daken in een waaier van oranje en roze die feller was dan ze had verwacht voor een gewone zaterdag.
"Ik heb geen tafel of stoelen," zei hij, terwijl hij een grote deken uit een tas haalde en die uitspreidde op de vloer, gevolgd door een tas met bakjes eten, een fles wijn, twee glazen die niet bij elkaar pasten. "Ik hoop dat een picknick op de vloer van een half afgebouwd pand telt als een date."
"Het telt als de beste date-uitleg die ik ooit heb gehoord," zei ze, en meende het.
Ze gingen zitten, de deken dun genoeg om de kou van het beton er nog doorheen te voelen, dicht genoeg bij elkaar dat hun schouders elkaar bijna raakten zonder dat het opzettelijk leek. Hij had eten meegenomen van een Libanese tent om de hoek, meer bakjes dan twee mensen ooit op zouden kunnen, hummus en gegrilde groenten en iets met granaatappelpitjes waarvan ze de naam niet kende maar dat ze binnen een minuut al drie keer had geproefd.
"Je had gelijk," zei ze, terwijl ze een stuk brood in de hummus doopte. "Geen menukaart, geen restaurant. Dit is beter."
"Ik wist het niet zeker," gaf hij toe, en er was iets ontwapenends aan die eerlijkheid, aan het feit dat hij niet deed alsof hij precies had geweten hoe de avond zou lopen. "Ik dacht, of dit werkt, of ze denkt dat ik haar heb meegenomen naar een bouwplaats omdat ik geen idee heb hoe dates werken."
"Allebei een beetje, misschien."
"Eerlijk genoeg."
Over wat er niet gezegd werd
Ze praatten terwijl de hemel veranderde van oranje naar een dieper paars, over willekeurige dingen eerst, favoriete boeken, waarom hij architectuur was gaan studeren in plaats van de kunstacademie waar hij ooit over had gedacht, waarom zij bij een uitgeverij was beland in plaats van zelf te schrijven zoals ze op haar zeventiende had gepland.
"Schrijf je nog?" vroeg hij.
"Niet meer echt. Ik lees de hele dag wat andere mensen schrijven en 's avonds heb ik niks meer over." Ze haalde haar schouders op, een gebaar dat ze zelf herkende als iets dat ze deed wanneer ze iets belangrijker vond dan ze wilde toegeven. "Mark zei altijd dat ik het weer zou oppakken als de tijd rijp was. Hij zei het op een manier die klonk als geruststelling maar die volgens mij eigenlijk betekende dat hij niet wist wat hij ermee aan moest."
"Wat zou jij zeggen? Niet wat hij zei. Wat vind jij ervan."
De vraag verraste haar, niet omdat hij ongebruikelijk was maar omdat niemand hem op die manier had gesteld in jaren, met die precieze scheiding tussen wat een ander ervan vond en wat zij er zelf van vond, alsof dat verschil vanzelfsprekend was.
"Ik denk dat ik bang ben geworden om het serieus te proberen," zei ze langzaam, de woorden testend terwijl ze ze uitsprak. "Zolang ik het niet probeer, kan het niet mislukken. Dat is makkelijker dan het klinkt."
"Dat ken ik," zei hij. "Ik heb twee jaar een schetsboek gehad dat ik nooit opende omdat ik bang was dat de tekeningen niet zouden zijn wat ik in mijn hoofd had. Uiteindelijk realiseerde ik me dat een lege pagina ook niks is. Op zijn minst iets slechts is nog steeds iets."
Ze keek naar hem, naar het laatste licht dat op zijn gezicht viel, en voelde een golf van iets dat ze niet meteen kon benoemen — niet alleen aantrekkingskracht, hoewel die er zeker was, maar iets dat dieper zat, een gevoel van herkend worden dat ze bijna vergeten was hoe het aanvoelde.
"Waarom vertel je me dit soort dingen?" vroeg ze. "We kennen elkaar nog geen week."
"Omdat ik denk dat oppervlakkig blijven meer moeite kost dan eerlijk zijn," zei hij, zijn stem rustig, zonder enige poging om het dramatischer te laten klinken dan het was. "En omdat ik het gevoel heb dat jij hetzelfde soort gesprek wilt als ik, alleen heb je waarschijnlijk geleerd om daar niet naar te vragen."
Ze wilde iets luchtigs terugzeggen, een grapje om de intensiteit te breken, maar er kwam niets. In plaats daarvan zei ze de waarheid.
"Je hebt gelijk."
Het licht dat verdween
Tegen de tijd dat de laatste kleur uit de hemel was verdwenen en de stad beneden hen begon op te lichten met duizenden losse lampjes, was de fles wijn voor de helft leeg en zat Iris met haar knieën tegen haar borst getrokken, de kou van de avond die langzaam door haar jas begon te dringen ondanks de warmte van het gesprek.
"Koud?" vroeg hij, alsof het geen herhaling was van het balkon, maar het voelde wel zo, een echo van iets dat al tussen hen bestond voordat ze het woord ervoor hadden.
"Een beetje."
Hij schoof dichterbij, niet vragend of hij zijn arm om haar heen mocht leggen maar het ook niet zomaar doend zonder ruimte te laten. "Mag ik?" vroeg hij, zijn arm net iets opgeheven, een gebaar dat de vraag zichtbaar maakte voordat hij hem uitsprak.
"Graag," zei ze, en de eenvoud van dat woord verraste haar met hoeveel ze het meende.
Zijn arm om haar schouders voelde anders dan ze had verwacht, niet claimend, niet zwaar, meer als een uitnodiging om dichterbij te komen als ze dat wilde. Ze liet haar hoofd tegen zijn schouder rusten en voelde zijn ademhaling veranderen, iets dieper worden, alsof het gebaar hem net zo raakte als haar.
"Ik wil iets zeggen en ik wil niet dat het de avond raar maakt," zei hij na een tijd stilte, zijn stem zacht tegen haar haar.
"Zeg het maar."
"Ik heb de hele avond aan niets anders kunnen denken dan hoe het zou zijn om je te kussen. En ik wil het heel graag doen. Maar ik wil ook dat je weet dat het volledig oké is als je nog niet zover bent, of als je gewoon wilt dat deze avond blijft wat hij is."
Ze tilde haar hoofd op om hem aan te kijken, zijn gezicht dichtbij genoeg dat ze de kleine lijntjes rond zijn ogen kon zien wanneer hij glimlachte, dichtbij genoeg dat zijn woorden meer voelden als een uitnodiging dan als een vraag die beantwoord moest worden.
"Ik wil het ook," zei ze, zonder aarzeling deze keer, zonder de behoefte om het in te pakken in iets luchtigs.
Hij wachtte nog steeds, zijn hand die lichtjes langs haar wang streek, een aanraking die vroeg in plaats van nam. "Zeker weten?"
"Luca." Ze legde haar hand tegen zijn borst, voelde zijn hart daaronder sneller kloppen dan zijn stem verried. "Kus me."
Wat er daarna kwam
De kus was langzamer dan ze had verwacht, geen haast erin, alsof hij evenveel waarde hechtte aan het moment ervoor als aan de kus zelf. Zijn hand vond haar kaak, zijn duim die zacht over haar jukbeen streek, en toen hun lippen elkaar raakten voelde het niet als een eerste kus die getest werd maar als iets dat allang wachtte om te gebeuren.
Ze verloor het besef van de kou, van het beton onder de deken, van de stad die beneden hen doorleefde alsof er niets bijzonders gebeurde op een dak in de Jordaan. Er was alleen zijn hand die naar haar haar ging, de manier waarop hij even terugtrok om haar aan te kijken, te controleren of dit nog steeds was wat ze wilde, voordat hij weer dichterbij kwam, en de zachte lach die tussen hen ontstond toen ze allebei tegelijk beseften hoe belachelijk gelukkig ze zich voelden op een bouwplaats, in de kou, met bakjes hummus naast hen die niemand meer aanraakte.
Toen ze uiteindelijk terugtrokken, bleven hun voorhoofden nog even tegen elkaar rusten, zijn adem warm tegen haar gezicht.
"Dat," zei hij, "was beter dan ik had gedacht, en ik had er behoorlijk hoge verwachtingen van."
"Je had verwachtingen? Ik dacht dat je zei dat je geen plan had."
"Geen plan voor de avond. Verwachtingen voor de kus zijn iets anders." Hij grijnsde, en ze voelde het tegen haar lippen toen ze hem nog een keer kuste, korter deze keer, meer een bevestiging dan een vraag.
Ze bleven nog een uur op het dak, de wijn op, de bakjes leeg, pratend over kleinere dingen nu, lachend om niets, haar hoofd tegen zijn schouder terwijl de stad langzaam stiller werd onder hen. Op een gegeven moment, toen de kou echt begon door te dringen en haar handen koud werden ondanks zijn jas die weer om haar schouders hing, alsof dat inmiddels een gewoonte was geworden tussen hen, zei hij dat hij haar naar huis wilde brengen, niet omdat de avond voorbij hoefde te zijn maar omdat hij niet wilde dat ze verkouden werd van zijn romantische ideeën.
Bij haar voordeur, terwijl ze haar sleutels uit haar tas zocht, stond hij weer dicht bij haar, niet dringend, gewoon aanwezig.
"Ik wil je snel weer zien," zei hij. "Geen specifiek plan, alleen de zekerheid."
"Dat past bij je," zei ze, en kuste hem nog een keer, langer dan ze van plan was geweest, voordat ze zich losmaakte en de deur achter zich sloot met een glimlach die ze niet van haar gezicht kon krijgen, zelfs niet toen ze alleen in het donkere trappenhuis stond.
Boven, in haar appartement, terwijl ze haar jas ophing, dacht ze aan hoe weinig ze eigenlijk had gepland voor deze avond en hoe volledig hij haar had verrast, niet met grootse gebaren maar met de eenvoud van eerlijkheid en de moeite die hij nam om te vragen in plaats van aan te nemen. Ze pakte haar telefoon, zag een bericht dat hij al had gestuurd voordat ze goed en wel binnen was.
Luca: Voor het geval het niet duidelijk genoeg was: dit was de beste date die ik ooit heb gehad. Slaap lekker, Iris.
Ze typte terug zonder lang na te denken, de woorden kwamen makkelijker dan ze had verwacht.
Iris: Ook voor mij. Welterusten, Luca.
Ze legde de telefoon op haar nachtkastje en ging liggen, de smaak van hem nog op haar lippen, het gevoel van zijn hand tegen haar wang nog aanwezig op haar huid, en besefte dat ze voor het eerst in maanden niet lag te wachten tot de slaap zou komen omdat ze niets beters te doen had, maar omdat ze uitgeput was op de goede manier, moe van een avond die haar meer had gegeven dan ze had durven verwachten.
Volgende week: hoofdstuk 3, waarin Iris Luca voorstelt aan Sanne, en een avond die begint als een gewoon etentje ergens anders in eindigt dan iemand had verwacht.

